Zeeheldenmonumenten

De Nieuwe Kerk is het Nederlandse zeeheldenpantheon. Verspreid in de kerk staan diverse opvallende monumenten gewijd aan beroemde vlootvoogden. Onbetwist de grootste onder hen was Michiel de Ruyter, voor wie dan ook een naar Nederlandse begrippen ongekend rijk praalgraf is opgericht.

De volgende zeehelden hebben een monument in De Nieuwe Kerk:

Praalgraf van Michiel de Ruyter (1607-1676)

1681, Rombout Verhulst (1624-1698), verschillende soorten marmer

De grootste Nederlandse zeeheld, Michiel de Ruyter, had al veel successen op zijn naam, toen hij in 1676 bij Syracuse in een zeeslag tegen de Fransen sneuvelde. Op 18 maart 1677 werd hij in Amsterdam onder enorme belangstelling begraven.

In het grootse grafmonument van Rombout Verhulst wordt de admiraal als een protestantse heilige vereerd. Dat blijkt uit de locatie van het praalgraf in het koor, op de plaats van het vroegere hoogaltaar. Ook de vorm van het monument – een drieluik – houdt ermee verband.

Het graf is een grote loftuiting op de admiraal en zijn verdiensten. De zeeheld ligt op een tombe, geflankeerd door schelpblazende tritons, met achter hem een zeeslag die bekroond wordt door de Faam en de wapens van Holland en de Republiek. Links en rechts verbeelden vrouwenfiguren De Ruyters deugden: Voorzichtigheid en Kracht.

© Erik en Petra Hesmerg

Grafkelder van Michiel de Ruyter (1607-1676)

De kist met De Ruyters stoffelijk overschot kreeg een rustplaats in de crypte, het allerheiligste van de kerk, waar in katholieke tijden de relieken van heiligen werden bewaard. Boven de grafkelder prijkt De Ruyters familiewapen, vastgehouden door treurende kindjes. Het Latijnse opschrift luidt in vertaling: 'Hij blinkt in onbezoedelde eer'. Behalve de admiraal liggen hier ook familieleden begraven.

In 1800 werd de zeventiende-eeuwse kist van Michiel de Ruyter vervangen door een nieuwe. In de kist bleek ook het in Syracuse geamputeerde been te liggen. De krans in het rood-wit-groen van de Hongaarse vlag op de kist herinnert aan De Ruyters bevrijding in Napels van 26 Hongaarse dominees die weigerden zich tot het katholicisme te bekeren.

© Erik en Petra Hesmerg

Praalgraf van Jan van Galen (1604-1653)

1654, Artus Quellinus (1609–1668), Rombout Verhulst (1624-1698) en Willem de Keyser (1603-na 1674), wit en zwart marmer

In 1653 wist de Nederlandse vlootvoogd in de Middellandse Zee, Jan van Galen, de Engelsen bij Livorno koelbloedig te verslaan. Kort erna bezweek hij aan zijn verwondingen. 'Het was gemakkelijk om bij een overwinning voor het vaderland te sterven', zou hij gezegd hebben. Zijn lichaam werd naar Amsterdam vervoerd en plechtig in de Nieuwe Kerk begraven.

Het praalgraf toont de zeeheld liggend op de tombe met daaronder in reliëf zijn glorieuze wapenfeit. In de door vlaggen, scheepstuig en wapens omgeven zwarte cartouche wordt hem in lovende bewoordingen hulde betoond.

Het monument is het werk van drie beeldhouwers: Artus Quellinus maakte het ontwerp, Willem de Keyser hakte het reliëf en Rombout Verhulst deed de rest. Deze zou later ook het praalgraf van Michiel de Ruyter maken, waar Van Galens graf de bescheiden voorloper van is.

© Erik en Petra Hesmerg

Epitaaf voor Wolter Jan Gerrit, baron Bentinck (1745-1781)

1782

Hoog in het koor hangt een kleurig epitaaf dat op kosten van de Amsterdamse Admiraliteit gemaakt werd voor baron Bentinck (1745–1781) vanwege diens moedige optreden in 1781 tijdens de Slag bij de Doggersbank, de laatste triomf van de Nederlandse vloot op de oppermachtige Engelsen. Dodelijk gewond door een kanonskogel in de linkerschouder droeg hij het commando van zijn schip De Batavier over aan zijn opvolger met de woorden 'liever alles te wagen en te vergaan dan te strijken of te vluchten'. Hij overleed aan de gevolgen in Amsterdam, waarna hij in de Nieuwe Kerk met veel eerbetoon begraven werd. Postuum werd Bentinck door stadhouder Willem V alsnog tot de hoge functie van schout bij nacht bevorderd.

© Erik en Petra Hesmerg

Praalmonument van Jan Hendrik van Kinsbergen (1735-1819)

1819, P.J. Gabriël (1784–1833), marmer

Nadat Jan Hendrik van Kinsbergen in 1819 was overleden, werd hij in de Oude Kerk in zijn woonplaats Apeldoorn 'stil, maar plechtig' begraven. Zijn vrienden vonden echter dat de admiraal meer verdiende. Hij had immers een lange staat van dienst. In 1781 had hij zich als schout bij nacht in de zeeslag bij de Doggersbank tegen de Engelsen onderscheiden en in 1793 had hij als opperbevelhebber met succes de eerste inval van de Fransen weerstaan.

En zo kreeg P.J. Gabriël, die voor het Apeldoornse graf een gedenkteken had ontworpen, de opdracht een tweede monument te maken voor plaatsing in de Nieuwe Kerk. Anders dan de zeventiende-eeuwse zeehelden rust de admiraal in burgerkostuum op de tombe. Alleen het kanon en het onderscheidingsteken op zijn borst verwijzen naar het verleden van deze zeeheld.

Epitaaf voor Jan Carel Josephus van Speyk (1802-1831)

1831, J. de Greef (1784–1834) en de firma Sigault & Zoon

Jan Carel Josephus van Speyk is de laatste zeeheld die in de Nieuwe Kerk begraven werd. Opgroeiend als weesjongen in het Amsterdamse Burgerweeshuis voelde hij zich al vroeg tot de zee aangetrokken. Zijn grenzeloze bewondering voor Michiel de Ruyter speelde daarbij een belangrijke rol. Hij begon als stuurmansleerling in 1820 en maakte snel carrière: tien jaar later al was hij commandant van een kanonneerboot. Tijdens de Belgische opstand in 1831 kreeg hij de kans om in de geest van zijn idool te handelen. Toen zijn schip in de haven van Antwerpen overmeesterd dreigde te worden, stak hij het lont in de kruitkamer en sprak daarbij de legendarische woorden: 'Dan liever de lucht in'. Het schip ontplofte, maar de eer van Nederland was gered. In opdracht van de Stad Amsterdam ontwierp J. de Greef deze klassieke tombe.