Orgels

De Nieuwe Kerk bezit twee orgels: het hoofdorgel dat de gehele westwand in beslag neemt, en een kleiner orgel dat vanwege zijn locatie bekend staat als het transeptorgel.

In de zeventiende eeuw was het orgel in de protestantse kerk onderwerp van debat. Radicale dominees wilden dat de kerk voor niets anders bestemd werd dan voor de preek. Orgelmuziek was volgens hen niet alleen overbodig, maar zelfs een gevaarlijke luxe die mensen licht op zondige gedachten kon brengen. Zo schreef predikant J.J. Calckman dat het orgelspel ‘de menschen verlockt tot de gedachten van vleeschelijke lusten, zonder eens te zuchten tot Godt over sijne sonden’.

De stadsbestuurders zagen het anders. Ze benadrukten de educatieve waarde van muziek. Ze lieten kostbare orgels – zoals die van De Nieuwe Kerk – bouwen en namen organisten in dienst om concerten te geven. Die waren mede bedoeld om mensen uit de kroeg te houden. Zo fungeerde De Nieuwe Kerk als openbare muziekzaal, waar bijna dagelijks orgelmuziek klonk.

Constantijn Huygens schreef in 1641 een invloedrijk boek, Gebruyck of ongebruyck van 't orgel in de kerken der Vereenighde Nederlanden, waarin hij een krachtig pleidooi hield voor het gebruik van het orgel in de eredienst. Hij zag het als effectief middel ter verbetering van de gemeentezang. Geleidelijk aan gingen de Hollandse steden overstag, Amsterdam in 1680. Vanaf dat jaar werden de orgels in de Nieuwe Kerk gebruikt voor het begeleiden van de psalmen. Het hoofdorgel was kort daarvoor uitgebreid, misschien wel met het oog op die nieuwe functie.

In De Nieuwe Kerk vinden regelmatig orgelconcerten plaats. Gustav Leonhardt (overleden in januari 2012) was en Bernard Winsemius is sedert 1981 vaste organist van De Nieuwe Kerk. Met ingang van 1 januari 2013 is tevens Henk Verhoef benoemd tot vaste organist. Voor meer informatie over de orgelconcerten klik hier.

Hoofdorgel, 1655

orgel Hans Wolff Schonat (ca. 1614 – ca. 1673), in 1673 vergroot door Jacobus Galtusz. van Hagerbeer (gest. 1670) en Roelof Barentsz. Duyschot; orgelkast Jacob van Campen (1596–1657); beeldhouwwerk Artus Quellinus (1609–1668); schilderingen Jan Gerritsz. van Bronckhorst (1603–1661).

In 1645 besloot de Stad Amsterdam voor De Nieuwe Kerk een hoofdorgel te laten maken. Tien jaar later was het klaar. De beste kunstenaars hadden eraan meegewerkt en het resultaat was ernaar: een monumentaal ensemble, dat oogt als een klassieke tempel.

De decoratie staat in het teken van de muziek. Boven op het orgel staat koning David met zijn harp, samen met twee vrouwen die de zang- en de speelkunst verbeelden. De beschilderde luiken eronder tonen Davids zalving tot koning. Op de benedenluiken staan muzikanten en achter een raam de schilder zelf. Zijn de luiken open, dan is links Davids triomftocht na het doden van Goliath te zien en rechts, David die harp speelt voor Saul. Ook in de overige decoraties is de muziek een terugkerend thema. In het reliëf onder het orgel is het oude symbool van Amsterdam te vinden, het koggeschip.

Transeptorgel, 16de eeuw

1645 verbouwd door Germer Galtusz. van Hagerbeer gest. 1646); 1986–1989 gerestaureerd door Flentrop Orgelbouw

Het kleine zestiende-eeuwse orgel bleef bij de brand van 1645 gespaard, omdat het op dat moment in het atelier van orgelbouwer Germer van Hagerbeer was voor een restauratie. Nog in het jaar van de brand werd het vernieuwde orgel, voorzien van het stadswapen van Amsterdam, weer teruggeplaatst. Tot de voltooiing van het hoofdorgel in 1655 was dit transseptorgel het enige instrument in de kerk. Daarna werd het bespeeld als de kerk open was, maar niet tijdens diensten. Na 1700 raakte het in onbruik.

Het orgel heeft een sierlijke opbouw met drie torens. De galerij rechts van het orgel wordt de wezengalerij genoemd, naar de kinderen uit het Burgerweeshuis die hier de dienst konden bijwonen.

Bernard Winsemius

Gustav Leonhardt