Orgels
De Nieuwe Kerk bezit twee orgels: het hoofdorgel dat de gehele westwand in beslag neemt, en een kleiner orgel dat vanwege zijn locatie bekendstaat als het transeptorgel.
Orgelmuziek was in de zeventiende eeuw herhaaldelijk een bron van conflicten. Radicale dominees wilden dat de kerk voor niets anders bestemd werd dan voor de preek. Orgelmuziek maakte inbreuk op dit sobere ideaal. Het was een overbodige, zelfs gevaarlijke luxe die mensen licht op zondige gedachten kon brengen. Muziek werd vaak met lichamelijke liefde geassocieerd. Predikant J.J. Calckmann schreef in 1641 dat het orgelspel `de menschen verlockt tot de gedachten van vleeschelijke lusten, zonder eens te zuchten tot Godt over sijne sonden'.
Constantijn Huygens schreef echter in hetzelfde jaar een invloedrijk boek, Gebruyck of ongebruyck van 't orgel in de kerken der Vereenighde Nederlanden, waarin hij een krachtig pleidooi hield voor het gebruik van het orgel. Hij zag het vooral als effectief middel ter verbetering van de gemeentezang. Een niet te onderschatten praktisch bijkomend voordeel van orgelmuziek was dat het mensen uit de kroeg hield. Dat hoopte men althans door het organiseren van wandelconcerten die buiten de kerkdiensten plaatsvonden. Zo fungeerde De Nieuwe Kerk ook als openbare muziekzaal.
Er vinden regelmatig orgelconcerten plaats in De Nieuwe Kerk. Sedert 1981 behoren Gustav Leonhardt en Bernard Winsemius tot de vaste organisten van De Nieuwe Kerk. Voor meer informatie over de orgelconcerten klik hier.
Hoofdorgel, 1655
orgel door Germer van Hagerbeer, voltooid door Hans Wolff Schonat; orgelkast Jacob van Campen; beeldhouwwerk Artus Quellinus; schilderingen door Jan Gerritsz. van Bronchorst
In 1645 besloot de Stad Amsterdam voor De Nieuwe Kerk een hoofdorgel te laten maken. Tien jaar later was het klaar. De beste kunstenaars hadden eraan meegewerkt en het resultaat was er dan ook naar: een monumentaal instrument, dat oogt als een klassieke tempel.
De decoratie staat in het teken van de muziek. Op het orgel staat koning David met zijn harp, samen met vrouwen die zangkunst en muziekspel verbeelden, terwijl de beschilderde luiken eronder Davids zalving tot koning tonen. Zijn de luiken open dan is links Davids triomftocht na het doden van Goliath te zien en rechts de harpspelende David voor Saul. De benedenluiken tonen muzikanten en zangers, met achter een raam de schilder zelf. Ook in de overige decoratie is de muziek een terugkerend thema, zoals in het reliƫf onder het orgel, waarin ook de symbolen van Amsterdam zijn te vinden.
Transeptorgel, 16de eeuw
1651-1664 restauratie door Jacobus Galtusz. van Hagerbeer; 1986-1989 restauratie door Flentrop Orgelbouw
Het kleine 16de-eeuwse orgel bleef als een wonder bij de brand van 1645 gespaard, omdat het toen voor restauratie in het atelier van orgelbouwer Germer van Hagerbeer was. In 1651 werd het vernieuwde orgel, voorzien van het stadswapen van Amsterdam, weer teruggeplaatst. Tot de voltooiing van het hoofdorgel in 1655, was het het enige instrument in de kerk. Daarna werd het alleen bespeeld als de kerk open was, behalve tijdens diensten. Na 1700 raakte dit in onbruik.
Het orgel heeft een sierlijke opbouw met drie torens. De hoofdkast is 16de-eeuws, maar de zijkasten dateren van circa 1650. Ze zijn van de hand van Albert Jansz. Vinckenbrinck, die ook de preekstoel maakte. De galerij achter het orgel wordt de wezengalerij genoemd, naar de kinderen uit het Burgerweeshuis die hier de dienst konden bijwonen.



