Orgels

De Nieuwe Kerk bezit twee orgels: het hoofdorgel, het grootste historische orgel van Nederland – en het kleinere transeptorgel.

orgels (1)
Foto Petra en Erik Hesmerg

In de zeventiende eeuw was het orgel in de protestantse kerk onderwerp van debat. Radicale dominees wilden dat de kerk voor niets anders bestemd werd dan de preek. Orgelmuziek was volgens hen niet alleen overbodig, maar zelfs een gevaarlijke luxe die mensen licht op zondige gedachten kon brengen. Zo schreef predikant J.J. Calckman dat het orgelspel ‘de menschen verlockt tot de gedachten van vleeschelijke lusten, zonder eens te zuchten tot Godt over sijne sonden’.
De stadsbestuurders zagen het anders. Ze benadrukten de educatieve waarde van muziek. Ze lieten kostbare orgels bouwen – zoals die van De Nieuwe Kerk – en namen organisten in dienst om concerten te geven. Die waren mede bedoeld om mensen uit de kroeg te houden. Zo fungeerde De Nieuwe Kerk als openbare muziekzaal, waar bijna dagelijks orgelmuziek klonk.
Constantijn Huygens schreef in 1641 een invloedrijk boek, Gebruyck of ongebruyck van ‘t orgel in de kerken der Vereenighde Nederlanden, waarin hij een krachtig pleidooi hield voor het gebruik van het orgel in de eredienst. Hij zag het als effectief middel ter verbetering van de gemeentezang. Geleidelijk gingen de Hollandse steden overstag, Amsterdam in 1680. Vanaf dat jaar werden de orgels in De Nieuwe Kerk gebruikt voor begeleiding van de psalmgezangen. Het hoofdorgel was kort daarvoor uitgebreid, misschien wel met het oog op die nieuwe functie.
In De Nieuwe Kerk vinden regelmatig orgelconcerten plaats. Gustav Leonhardt (gest. januari 2012) was en Bernard Winsemius is sedert 1981 vaste organist van De Nieuwe Kerk. Op 1 januari 2013 is tevens Henk Verhoef benoemd tot vaste organist.
Voor meer informatie over de orgelconcerten klik hier.

Hoofdorgel
Orgel, 1655: Hans Wolff Schonat (ca. 1614 – ca. 1673), daarna vergroot door Jacobus Galtusz. van Hagerbeer (gest. 1670) en Roelof Barentsz. Duyschot (werk voltooid in 1673); orgelkast: Jacob van Campen (1596–1657); beeldhouwwerk: Artus Quellinus (1609–1668); schilderingen: Jan Gerritsz. van Bronckhorst (1603–1661).

Foto Petra en Erik Hesmerg
Foto Petra en Erik Hesmerg

In 1645 besloot de Stad Amsterdam voor De Nieuwe Kerk een hoofdorgel te laten maken. Tien jaar later was het klaar, het besloeg de hele westwand. De beste kunstenaars hadden eraan meegewerkt en het resultaat was ernaar: een monumentaal ensemble, dat oogt als een klassieke tempel.
De decoratie staat in het teken van de muziek. Boven op het orgel staat koning David met zijn harp, samen met twee vrouwen die de zang- en de speelkunst verbeelden. De beschilderde luiken eronder tonen Davids zalving tot koning. Op de benedenluiken staan muzikanten en achter een raam de schilder zelf. Zijn de luiken open, dan is links Davids triomftocht na het doden van Goliath te zien en rechts David die harp speelt voor Saul. Ook in de overige decoraties is de muziek een terugkerend thema. In het reliëf onder het orgel is het oude symbool van Amsterdam te vinden, het koggeschip.

 Transeptorgel
16de eeuw; 1645 verbouwd door Germer Galtusz. van Hagerbeer (gest. 1646); 1986–89 gerestaureerd door Flentrop Orgelbouw

Het kleine zestiende-eeuwse orgel bleef bij de brand van 1645 gespaard, doordat het in het atelier van orgelbouwer Germer van Hagerbeer was voor een restauratie. Nog in het jaar van de brand werd het vernieuwde orgel, nu voorzien van het stadswapen van Amsterdam, weer teruggeplaatst. Tot de voltooiing van het hoofdorgel in 1655 was dit transeptorgel het enige instrument in de kerk. Daarna werd het bespeeld als de kerk open was, maar niet tijdens diensten. Na 1700 raakte het in onbruik.
Het orgel heeft een sierlijke opbouw met drie torens. De galerij rechts van het orgel wordt de Wezengalerij genoemd, naar de kinderen uit het Burgerweeshuis die hier de dienst konden bijwonen.