Wereld Natuur Kunst

Achtergrond

'De natuur kent zichzelf niet als natuur. Wij benoemen haar als zodanig. En in die benoeming ligt een beeld besloten: ons beeld van de natuur. Tot op zekere hoogte zegt dit beeld iets over de natuur, maar meer nog drukt het uit hoe we onszelf in verhouding tot die natuur zijn. Daardoor vormt het tevens een weerspiegeling van ons zelfbeeld. Natuurbeeld en zelfbeeld zijn nauw met elkaar verbonden.' (Matthijs Schouten)

Het concept voor de expositie Wereld Natuur Kunst is ontwikkeld in samenwerking met kunsthistorisch bureau D'ARTS en tentoonstellingsarchitect Yusuf Kho. De fysieke beperkingen van een tentoonstelling dwongen de samenstellers tot de keuze van vier, weliswaar veelomvattende culturen (of beter: cultuurgroepen) te weten het Westen, de islam, het Oosten en de inheemse volken. Cultuurgroepen met grote overeenkomsten én grote verschillen.

De cultuurgroepen

De inheemse volken

Voor de inheemse volken van Afrika, Amerika, Australië en Azië is de natuur bezield. De mens, de natuur en de geesten- en godenwereld zijn op allerlei wijzen met elkaar verbonden. Bij Afrikaanse volken is de mens omgeven door onzichtbare krachten die hem tot voordeel kunnen zijn, maar die ook een gevaar kunnen vormen. In de omgang met de natuur moet er daarom een evenwicht tussen goede en kwade krachten in stand worden gehouden. Met offers, riten en gebeden kan het kwaad worden bedwongen. Voor de Australische aboriginals zijn overal in de natuur sporen van de schepping aanwezig. Bijvoorbeeld in dieren, bomen, bossen of bergen. Riten, zangen en dansen laten de oorspronkelijke schepping herleven en zorgen onder meer voor de rondgang van de seizoenen. Voor de indianen van Noord-Amerika is de relatie met de natuur gebaseerd op wederkerigheid: men geeft voor wat men neemt. Vooral bij de jacht moet met respect worden omgegaan met de buit en worden bijvoorbeeld botten of klauwen teruggelegd in de natuur om te voorkomen dat de geest van het gedode dier ervoor zorgt dat zijn soortgenoten zich niet meer laten vangen.

Het Oosten

Het hindoeïsme en boeddhisme hebben hun bakermat in India. Beide religies kennen het principe van reïncarnatie: alle levende wezens zijn onderworpen aan de kringloop van dood en wedergeboorte. Hoe men reïncarneert wordt bepaald door karma, dat wil zeggen het effect van iemands handelen. Als een wetmatigheid bestemt de som van alle daden in een leven de volgende geboorte in een hogere of lagere zijnsorde. Kortom: wie nu de verschijningsvorm mens heeft, kan ook als worm terugkomen. Het hindoeïsme en boeddhisme kennen daardoor groot respect voor de natuur. In het hindoeïsme, de oudste van de twee, gelooft men dat de hele kosmos, dus ook de natuur en de mens, doordrongen zijn van het goddelijke.

In het doorgronden van zijn goddelijkheid, het hoogste levensdoel van de hindoe, beseft de mens ook zijn verbondenheid met de kosmos en de natuur. Hij kan zich niet meer als afgescheiden ervan zien en in deze eenheidservaring ontstaat een diepe eerbied voor de aarde en de natuur. In het boeddhisme, dat ongeveer 2500 jaar geleden voortkwam uit het hindoeïsme, strekt naastenliefde en mededogen zich uit naar alle medeschepselen. Het boeddhisme kent geen god, maar gelooft wel in de onderlinge verbondenheid van alle leven. Van daaruit dient een boeddhist te voorkomen dat zijn handelen lijden teweegbrengt.

De islam

De belangrijkste beelden van de natuur binnen de islam komen uit de koran, het voor moslims heilige boek. In tegenstelling tot wat buiten de islam vaak wordt gedacht, staat er in de koran geen verbod op het afbeelden van de natuur. Wel bestaat in de islam enige terughoudendheid ten aanzien van het afbeelden van levende wezens. De mens mag zich immers niet de rol van schepper aanmeten of voorwerpen vervaardigen die tot afgoderij kunnen leiden. De koran bevat veel passages waarin de tuin wordt beschreven die de vrome en rechtvaardige mens wacht na zijn overlijden. In deze hemelse tuin zijn er, in tegenstelling tot het woestijnlandschap (waarin de islam ontstond!), dragende vruchtbomen en rivieren en er is volop schaduw. De mens, door Allah als kalief aangesteld in Zijn schepping, creëert op aarde zijn eigen tuin. In de islamitische tuin speelt water altijd een belangrijke rol. De aanwezigheid van fonteinen, waterbekkens en waterlopen verwijst niet alleen naar de hemelse tuin, maar herinnert ook aan het scheppingsverhaal. Volgens de koran was de schepping namelijk met water begonnen. Door uit de hemel water te laten neerdalen, liet Allah de plantengroei ontstaan; uit water bracht hij ook de dieren voort. Zowel in de dichtkunst als in de schilder- en tapijtkunst komen vaak beelden van tuinen voor.

Het Westen

De Grieken en Romeinen hielden niet van de wilde natuur. Zij beschouwden de stad als hun beschavingsideaal. Daarbuiten, in de wildernis, zagen zij veelal wanorde en barbarij. Wel schiepen zij een beeld van een ideaal landschap, half natuurlijk, half wild, dat zij, naar een Griekse landstreek, Arcadië noemden. In de kunst kan Arcadië in allerlei varianten worden opgevoerd. Soms benadrukt men de ongecultiveerdheid ervan met saters en faunen in een berglandschap, soms juist de lieflijkheid met herders en herderinnen omgeven door fruitbomen en heldere beekjes.

In de christelijke Middeleeuwen gold de natuur als een wildernis met monsterlijke wezens. In wouden en bergen kon men wolven tegenkomen of erger nog, de wildeman, het mensetende beestmens. De wildernis was een plek die alleen door de kluizenaar werd opgezocht. Hij kon er de demonische krachten van de natuur overwinnen, net als zijn eigen innerlijke woestenij.

Gedurende de vroegmoderne periode kreeg de mens steeds meer greep op de wildernis. Werd in de renaissancetuin nog geprobeerd een zogenaamde derde natuur te scheppen, een ideaal samengaan van menselijk ingrijpen en spontane natuurlijkheid, in de baroktuin legde de mens zijn wil volledig op aan het landschap. De westerse mens zou zijn vijandigheid ten aanzien van de wildernis ook manifesteren in de gebieden die hij koloniseerde.

De tentoonstelling

De sleutel voor de opzet van deze expositie lag in een inrichting waarbij enerzijds een samenhangend beeld van de natuurvisie per cultuurgroep zou worden gegeven en anderzijds vergelijkingen konden worden gemaakt tussen de natuurvisies van de verschillende culturen. Dit resulteerde in een even spectaculaire als ingenieuze inrichtingsvorm met vier concentrische cirkels, voor elke cultuurgroep één; van buiten naar binnen gezien: de westerse, islamitische, oosterse en inheemse culturen. Elke cirkel biedt een rondgang langs een van de cultuurgroepen, waarbij langs stralen dwars door deze cirkels heen bepaalde thema's worden uitgelicht die in elke cultuur een rol spelen, zoals de schepping, de wildernis, de gecultiveerde natuur, etc.

Langs elke straal staan op de vier snijpunten met de cirkels kunstvoorwerpen met hetzelfde thema, één per cultuurgroep. Deze kunstwerken hebben een voor de betreffende cultuur typerende vorm. Voor de westerse beschaving is dat het schilderij: men kijkt als door een raam in een perspectivische nabootsing van de werkelijkheid. Voor de islam is dat kunstnijverheid; hier worden gebruiksvoorwerpen getoond met een meestal geabstraheerde weergave van de natuur, aangezien de nabootsing van Gods schepping in de islam niet eerbiedig wordt gevonden. In de Aziatische cirkel zijn vooral sculpturen en roltekeningen te zien, voorwerpen die de oosterse natuurdevotie uitdrukken. En voor de inheemse volkeren, ten slotte, is gekozen voor kunstzinnige voorwerpen die gebruikt zijn om op rituele wijze contact te maken met de, in hun ogen bezielde, natuur.

De schilderijen van de westerse cultuur worden getoond tegen een glazen wand. De glaspanelen zijn bevestigd aan een ring van hoge pijlers die de expositie omgeven. De pijlers zijn op zeven meter hoogte gekoppeld aan een rondgaande koof, waardoor een bouwwerk ontstaat dat aan de stenenkring van Stonehenge doet denken. De kunstnijverheid van de islam wordt in de cirkel daarbinnen geëxposeerd in gedecoreerde vitrines; in de volgende cirkel staan oosterse sculpturen op sokkels van bamboehout. De rituele voorwerpen van de inheemse volken, ten slotte, worden geëxposeerd in een ronde vitrine in het hart van de expositie; in de kern heeft immers iedere cultuur een 'primitieve' oorsprong.

Dankzij deze bijzondere opstelling en inrichting zal de expositie een zeer spectaculair en transparant karakter hebben. Bij het betreden van het schip van de kerk zal de bezoeker de expositie in eerste instantie ervaren als een woud van kunst. Door de cirkels op de vloer en de grafische aanduiding van de themastralen wordt de benodigde visuele en inhoudelijke samenhang in het geheel gebracht.

Tekst en uitleg

Er zijn verschillende manieren om de expositie te bekijken: men kan de cultuurgroepen per cirkel aflopen of langs de stralen meanderen om thematische vergelijkingen te maken, maar het is ook mogelijk om gewoon te dwalen door een woud van multiculturele kunst.

Voor de benodigde achtergrondinformatie krijgt iedere bezoeker een gids met alle bijschriften en thematische vergelijkingen. Het boekje heeft de vorm van een 'kleurenwaaier': iedere flap behandelt een bepaald thema (die dus correspondeert met een straal) en is ingedeeld in vier gekleurde stroken, voor elke cultuurgroep één. Daarnaast wordt de bezoeker nog twee verschillende introducties aangeboden: een audiovisuele tentoonstellingsinleiding in het hoge koor en een introductieruimte per cultuur in de cirkels.

Voor meer informatie:

De Nieuwe Kerk Amsterdam

Communicatie, Educatie & Marketing
Pom Verhoeff & Kim van Niftrik
T 020 626 81 68