Verborgen Afghanistan
Achtergrondinformatie
Vanuit het westen gezien is Afghanistan het land waar de oostwaartse veroveringstocht van Alexander de Grote – zoals eerder die van de Perzen – werd gestuit. De Oxus-rivier, de huidige Amu Darya, vormt de scheidslijn met de ‘barbaarse’ wereld. Hij is ook de oostgrens van het oude Bactrië met de legendarische hoofdstad Bactra. Anderzijds is voor de Chinezen Afghanistan de verst westelijke streek die zij bereikten op hun geplande doortocht naar India. Voor hen is Afghanistan het land van het Kushana-rijk, het nomadische rijk dat aan het begin van onze jaartelling de plaats innam van de Griekse overheersers die ze hadden verdreven. Via dit rijk zou zich in de eerste en tweede eeuw n.Chr. het boeddhisme verspreiden, langs de zijderoute.
De bijzondere objecten in deze tentoonstelling illustreren de functie van Afghanistan als uniek kruispunt van beschavingen en helpen dit geplaagde land zijn verleden en geheugen te hervinden. Voor dit doel is een selectie gemaakt uit de collectie van het Nationaal Museum van Afghanistan in Kabul, met name van objecten uit vier vindplaatsen: Tepe Fullol, Ai Khanum, Tillya-tepe en Begram. Er is aandacht voor het archeologische avontuur in Afghanistan, maar ook voor de antieke geschiedenis van het land, van de oudste tijden tot en met het Kushana-rijk.
Tepe Fullol dateert uit de Bactrische Bronstijd (rond 2000 v.Chr.). Een grotere afdeling is gewijd aan Ai Khanum, een stad gesticht door Grieken in het gevolg van de veroveringsexpeditie van Alexander de Grote, die getuigt van het hellenisme aan de rand van de steppen (4de-2de eeuw v.Chr.) Beroemd is de goudschat van Tillya-tepe: sieraden en andere kunstvoorwerpen uit zes graftombes uit de eerste eeuw n.Chr., opgegraven in 1979 door een Sovjet-Afghaans team geleid door de Russische archeoloog Sarianidi. Ze vormen een schitterende mengeling van steppekunst, Grieks-Romeinse iconografie, Indiase objecten en Chinese spiegels. In Begram tenslotte zijn in 1937 en 1939 twee verzegelde vertrekken blootgelegd, ook uit de eerste eeuw n.Chr., met rijke Indiase ivoren meubelen, glazen, vazen alsook gipsen emblemata van hellenistische makelij.
Het Nationaal Museum van Kabul: vernietiging en opbouw
De tentoonstelling is ook het verhaal van het Nationaal Museum van Afghanistan in Kabul. Een museum dat twintig jaar oorlog heeft weten te overbruggen. De tentoongestelde objecten van de opgravingen vormen het hart van het museum, dat nu weer wordt opgebouwd. Het idee voor een museum ontstond in 1919. Drie jaar later werd het in Kabul gebouwd. Tot aan het eind van de jaren zeventig van de 20ste eeuw werden ca. 100.000 stukken in de collectie van het museum opgenomen. Ze werden onderzocht, toegankelijk gemaakt en bekeken door duizenden studenten en andere bezoekers. Dat veranderde allemaal vanaf 1978, het jaar waarin een staatsgreep plaatsvond. Een jaar later werden de belangrijkste werken uit het museum overgebracht naar de woning van een minister. De Russische bezetting na de inval op 22 december 1979 eiste twee miljoen slachtoffers en verwoestte de economie en de culturele infrastructuur. Musea in Hadda en Jalalabad werden verwoest en geplunderd. Daarentegen werd wel het Nationaal Museum in Kabul gerestaureerd. Anderhalf jaar na de reddingsoperatie kwamen de stukken weer terug. Het museum was inmiddels weer gerestaureerd.
In 1988, toen de veiligheidssituatie verslechterde, besloot het Nationaal Museum andermaal zijn belangrijke collecties te laten ´onderduiken´. De schatten van Begram, Ai Khanum en Tillya-tepe verhuisden naar een kluis in het presidentieel paleis. Slechts enkele personen waren daarvan op de hoogte. Met veel moeite werd in de jaren erna de verberging geheim gehouden. Na de val van de communisten in 1992 vielen het land én het museum ten prooi aan een gruwelijke burgeroorlog. Het personeel van het museum werd op non-actief gezet, na bedreigingen, mishandelingen en zelfs moorden. Twee grote werken werden uit het museum geroofd en er volgde een inbraak met diefstal in het depot. In 1994 werd het museum getroffen door een raket, waarna het in brand vloog. Mede dankzij de inspanningen van de UNESCO werd het depot provisorisch afgegrendeld. Ondanks deze maatregelen vatte het dak in die winter vlam en stortte in, bovenop de zaal waar fresco´s werden bewaard. Besloten werd 3000 stukken uit het museum te evacueren naar Hotel Kabul. Het dieptepunt voor het Nationaal Museum werd bereikt toen begin 2001 het Taliban-regime besloot dat alle beelden dienden te worden vernietigd. Een speciaal daarmee belaste groep vernielde niet alleen de beroemde Boeddha’s van Bamiyan (55 en 38 meter hoog) maar ook 2500 kunstwerken in de collectie van het Nationaal Museum.
Pas in 2003, meer dan een jaar na de verdrijving van het Taliban-regime, bevestigde de Afghaanse regering dat de schatten in de kluis van het paleis veilig waren. In april 2004 werd begonnen met de registratie en restauratie: 22.607 objecten hadden de verwoestende regimes overleefd. Gezien de huidige situatie vond de Afghaanse regering het prematuur om de collectie weer terug te brengen naar het nog steeds zwaar beschadigde museum en werd het idee gelanceerd voor een grote reizende tentoonstelling. In 2005 werd het Parijse Musée Guimet benaderd. Samen met de DAFA (de Franse archeologische delegatie in Afghanistan) heeft dat museum altijd een belangrijke rol gespeeld in het opgraven en exposeren van het Afghaanse erfgoed. Dit alles leidde uiteindelijk tot de huidige tentoonstelling die in december 2006 en het voorjaar van 2007 in het Musée Guimet te zien was. Daarna reisde zij naar Turijn waarna zij vervolgens doorgaat naar Amsterdam.
Tepe Fullol
In 1966 vonden boeren bij de plaats Fullol in Noord-Afghanistan bij toeval gouden en zilveren vazen, die zij met een bijl in gelijke stukken begonnen te hakken om ze onderling te verdelen. Dankzij snel ingrijpen kon de overheid twaalf nog ongeschonden vazen bemachtigen, vijf gouden en zeven zilveren. Deze vonden hun weg naar het Nationaal Museum. Na de verwoestende laatste twintig jaar zijn er nog drie gouden vazen teruggevonden; de rest is verdwenen.
De vazen (nrs. 1 & 2) zijn versierd met zwijnen, stieren en/of bizons of met geometrisch patronen. Het skelet dat bij de vondst werd aangetroffen duidt op grafgiften. Ze vertonen geen uitgesproken gelijkenissen met andere vondsten in Afghanistan en naburige gebieden. De versieringen doen veel eerder Pakistaanse, Mesopotamische of Turkmeense invloeden vermoeden. Maar wat doen deze vazen dan in Tepe Fullol? Ze zouden een gevolg kunnen zijn van de uitwisseling met streken in West-Azië, en dan met name rondom de handel van lapis lazuli. Het is algemeen bekend dat deze kostbare steen uit Afghanistan zeer gewild was in Mesopotamië. De stukken zouden dan uit het einde van het derde millennium v.Chr. komen. Ook is gedacht dat de schat van Tepe Fullol een geheime opslag zou zijn met objecten uit verschillende perioden. Weer anderen hebben de vazen later gedateerd, omdat zij een relatie zagen met de decoraties van de graftombes van Marlik in het noorden van Iran (eind tweede-begin eerste millennium v.Chr.).
Nieuwe opgravingen en vergelijkende studies hebben in verschillende streken van Centraal-Azië en de Indo-Iraanse grensgebieden een uitgestrekter, relatief homogeen cultureel complex blootgelegd, dat onder andere de naam Oxus-beschaving heeft meegekregen. Het gaat om bevolkingsgroepen die tussen 2200 en 1800 v.Chr. leefden in een reusachtig gebied met de kern in het zuidoosten van Iran en het westen van de Indus-vallei in het huidige Pakistan. De vazen van Tepe Fullol worden nu gezien als luxeobjecten van deze Oxus-beschaving
Tillya-tepe
In de winter van 1978-1979 deed een Sovjet-Afghaanse archeologische expeditie onder leiding van Viktor Sarianidi onderzoek op de linkeroever van de rivier de Oxus, in de oase van Sheberghan bij de Turkmeense grens. Daar verrezen de ruïnes van Emshi-tepe, een ommuurde stad uit de Grieks-Bactrische tijd. Buiten de stadsmuur lag een drie à vier meter hoge heuvel. Toen de archeologen daar scherven uit het tweede millennium v.Chr. vonden, besloten ze verder te graven. Onder het zand stuitten ze op resten van een monumentaal bouwwerk, met een terras en zuilenzalen, omgeven door een dikke muur. Er werden zes graven ontdekt, deels in de flank van de heuvel, deels in de muur. Ruim 20.000 objecten werden opgegraven, schoongemaakt en naar het Nationaal Museum in Kabul gebracht. Daags voor afronding stuitte men op een zevende graf. Dat werd toegedekt met de bedoeling om een jaar later terug te keren. Door de inval van het Sovjetleger eind 1979 is dat niet gebeurd, en onder de daarop volgende vernietigende regimes is het er nooit meer van gekomen. Het zevende graf is nu leeggeroofd. Sarianidi keerde midden jaren tachtig nog wel een keer terug naar Kabul, waar hij alle vondsten liet fotograferen en publiceerde in het schitterende fotoboek ‘L’Or de la Bactriane’ (Leningrad 1985). Dat was niet lang voordat de schat naar de kluis van het presidentieel paleis werd geëvacueerd.
Elk graf was een rechthoekige groeve van twee bij tweeënhalve meter, twee meter onder de grond. In het midden van elk graf stond, steunend op een onderstel, een houten kist afgedekt met een doek. Hier lagen de overledenen, getooid voor hun laatste reis, vijf vrouwen en een krijger. Ze waren circa dertig jaar. Op hun kleding, typisch voor nomaden, was goud gestikt; ze droegen armbanden met halfedelstenen. Drie vrouwen hadden een Chinese spiegel uit de vroege Han-dynastie op hun borst (ca. eerste eeuw v.Chr). Een andere vrouw droeg een bloemvormige gouden kroon (nr. 24). Twee vrouwen hadden een munt in de hand voor hun laatste reis, de vrouw met de kroon had er een in haar mond. De krijger was een prins en droeg prachtig versierde wapens. Zijn hoofd rustte op een gouden schaal (nr. 21).
Het lijkt erop dat het levensritme van deze nomaden was verstoord en het aan tijd en middelen heeft ontbroken om een volwaardige grafheuvel te bouwen, een zogenoemde koergan. Hoe het ook zij, het bleef essentieel om de doden naar voorouderlijk gebruik in heuvels te begraven, al waren die dan kleiner. De ligging van de graven is niet toevallig: de man bevindt zich aan de top van de heuvel, geflankeerd door de mooist getooide vrouwen. Zij waren begraven in de muur van het bouwwerk, de andere vrouwen in de flank van de heuvel. De datering is gebaseerd op de meest recente munt (nr. 12) in de vondst: omdat daarop de naam van Romeinse keizer Tiberius staat, moet die in diens regeerperiode zijn geslagen, dus tussen 14 en 37 n.Chr.
Wie waren de makers van deze schitterende voorwerpen? De kunst van Tillya-tepe is een gemengde kunst: Chinese voorwerpen (of imitaties), voorwerpen uit India en (vooral) objecten met hellenistische kenmerken. De mengeling van invloeden is typisch voor nomadenkunst, maar doet soms wonderlijk aan en is niet altijd gespeend van fouten. Zo lijkt de godin Athena op een lans te leunen, maar die lans ontbreekt. Ook is zij zittend afgebeeld, maar zonder zetel (nr. 13). Eén motief zien we overal terugkomen: het hart. Van glas, kort, lang, ingelegd met turkoois of niet, in alle graven is het aangetroffen. Dit motief komt niet vaak voor in de oudheid en moet niet modern worden geïnterpreteerd: geen hartendame, geen warme gevoelens, maar een motief afkomstig uit een klimopblad, afgebeeld op een dolkschede van de krijger (nr. 20). De vraag waarom dit zo’n prominente plaats heeft gekregen weten we niet. Ook welke nomadenstam dit heeft achtergelaten blijft onbekend. Waren het de Yuezhi, afkomstig uit Noordwest-China, of waren het de Saka’s uit het Parthische rijk in het huidige Iran en Turkmenistan? De belangrijkste conclusie uit deze opgraving is dat het Afghaanse grondgebied een smeltkroes is geweest van zeer diverse kunstvormen.
Ai Khanum
Terwijl Alexander de Grote op weg was naar India (327 v.Chr.), kwam hij tot het besef dat er tegelijk orde en rust moest komen in de zojuist door hem veroverde gebieden. Hij liet er Grieken en Macedoniërs uit zijn gevolg achter. Zij stichtten steden en koloniën. Vaak werden ze naar Alexander genoemd, zoals Alexandria in Aria (het huidige Herat) en Alexandropolis (het huidige Kandahar).
De mythische held werd gehinderd door de vermoeidheid van zijn soldaten, de grote Indiase olifanten en het machtige Indiase continent en besloot de expeditie te stoppen. De stad met de huidige Oezbeekse naam Ai Khanum (de oude is verloren gegaan) blijft daardoor aan de rand van de hellenistische wereld liggen. De stad aan de oevers van de Oxus was qua leefwijze en stedenbouw Grieks: er waren een gymnasium (sportschool), een theater en heldengraven. Midden in de stad stond een paleiscomplex met monumentale Korinthische kapitelen (nr. 5) en platte daken met antefixen (nr. 9).
De stad wordt pas in 1961 ontdekt. Dan krijgt wijlen koning Zahir Shah tijdens een jachtpartij in het gebied een steen met Korintisch kapiteel aangeboden. De vorst, een uitstekend kenner, rapporteert dit aan de Frans-Afghaanse archeologische dienst. Er volgen opgravingen, tussen 1964 en 1978, waarin grote delen van de stad worden blootgelegd. Veel van de nu getoonde objecten zijn verbonden met een gebouw in deze stad. De eerder genoemde kapitelen en antefixen met het paleis, een masker met het theater (nr. 6), prachtige zonnewijzers met het gymnasium. Ook de religie laat zijn sporen na: munten met afbeeldingen van Hermes of Hestia en een plaquette met een afbeelding van Cybele uit de tempel (nr. 4). Daarnaast zijn er bijzondere geïmporteerde luxe voorwerpen uit India zoals een schijf met ingekleurd glas en goudlamellen.
Het einde van de stad kwam geheel onverwacht. Nomaden uit het oosten staken in 145 n.Chr. de stad in brand en plunderden het schathuis, wat kort daarop werd overgedaan door lokale volken. Omstreeks 140 v.Chr was de hellenistische stad verworden tot een woestenij van ruïnes die langzaam zou worden bedolven onder haar eigen puin en het zand.
Begram
Begram wordt al genoemd in het verslag van de Engelse archeoloog Charles Masson, die in 1833 vele munten ‘op de vlakte Begram’ vindt. Ruim honderd jaar later, in 1937, wordt de ‘schat’ van Begram gevonden, nu te zien op de tentoonstelling. Hij wordt ontdekt in twee afgesloten kamers waar op bankjes langs de muren brons bij brons, glas bij glas en ivoor bij ivoor staan opgesteld. Is het een reserve van handelswaren, een religieus geschenk, of een echte ‘schat’?
Wat wel duidelijk is dat het om prachtige voorwerpen gaat. De spectaculairste stukken zijn van glas of ivoor. De vis- en jachttaferelen op glas (nr. 29) zijn, te oordelen naar het gevoel voor beweging en oog voor detail, gemaakt door zeer talentvolle kunstenaars. De vazen in resille-motief (met een golvend ‘net’ om de buik van de vaas heen, nr. 28) zijn uniek. Maar ook de ivoren kunstwerken zijn opvallend. Een deel ervan bevat afbeeldingen met passages uit boeddhistische legendes en liefdesthema’s, verwant aan de vroege Indiase kunst (o.a. nr. 32, 26 & 27). De schat van Begram is daardoor een bijzonder voorbeeld van de wederzijdse fascinatie tussen de Griekse en Boeddhistische cultuurgebieden uit de eerste eeuw n.Chr.
Voor meer informatie: