Oman

Achtergrondverhaal

De ligging van Oman in het zuidoostelijke deel van het Arabisch Schiereiland is bepalend voor de geschiedenis van het land. Met zijn kustlijn van zo’n 3000 kilometer aan de Golf van Oman en de Arabische Zee ligt Oman op het kruispunt van zeehandel tussen Iran, India, het Arabisch Schiereiland en Afrika. De zee bezette van oudsher een belangrijke plaats in het dagelijkse leven in Oman. De wateren boden vis in overvloed voor lokale consumptie; met verbazing observeerden westerse reizigers in vorige eeuwen dat zelfs paarden in Oman gevoerd werden met gedroogde vis. In die gedroogde vorm was vis ook een gewild exportproduct. Voor de lokale en internationale handel bood de lange kustlijn een ideaal vertrekpunt. Dit had in de kuststreek een kosmopolitische wereld met een gemêleerde bevolking tot gevolg, want naast Omani’s vestigden zich er onder andere Indiërs, Perzen en Baluchis uit het huidige Pakistan. De handel bracht Oman in contact met exotische goederen, zoals Chinees porselein, Iraans geglazuurd aardewerk en Indiase stoffen, die zowel bestemd waren voor de Omaanse markt als voor doorvoer naar elders. Het contact met andere culturen en buitenlandse objecten was een belangrijke inspiratiebron voor de ambachten en kunstvormen van Oman.

De vermenging van internationale bouw- en decoratiestijlen valt direct op bij een bezoek aan de Grote Moskee in Muscat, gebouwd in opdracht van Sultan Qaboes en geopend in 2001. In de galerijen die de Grote Moskee omringen vinden we nissen die zijn versierd met Turkse Iznik-tulpen, bloemen uit het Indiase Moghul-repertoire, geometrische vormen uit middeleeuws Caïro, en het felrode geometrische design dat bekend is van de bedoeïenen op het Arabisch Schiereiland. Daarnaast zijn er nissen met lotusbloemen geïnspireerd op faraonisch Egypte en bogen in de stijl van de mozaïekkunst uit het Byzantijnse erfgoed, die ook is terug te vinden in de zevende-eeuwse Rotskoepel in Jeruzalem en in de Grote Moskee in Damascus. Deze samenkomst van internationale stijlen is een moderne interpretatie van de Omaanse ontvankelijkheid voor stijlinvloeden van buitenaf. Het is deze karakteristiek die ook besloten ligt in de objecten in de tentoonstelling Oman in De Nieuwe Kerk. Want in zowel de archeologische objecten als de veel jongere sieraden, kleding en korans valt de connectie met buitenlandse invloeden en vormen op. Dit was een direct resultaat van de rol van Oman als zeevaartnatie, die de import van buitenlandse (kunst)objecten en de vestiging van buitenlandse handwerkslieden heeft gestimuleerd. Daarnaast geven de objecten de liefde voor verfraaiing van sieraden, wapens en functionele objecten weer, een bekend gegeven binnen de islamitische kunsten en de ambachten. Prachtig vormgegeven arabesken, cilindrische motieven, ruiten, zigzagpatronen en kalligrafieën maken onderdeel uit van deze Omaanse beeldtaal.

Oman: geschiedenis en religie

Van oudsher is de geschiedenis van Oman verweven met zeehandel. Al in het derde millennium voor Christus melden Sumerische teksten dat er in Mesopotamië dioriet, hout en dadels waren uit Magan, dat wordt geassocieerd met het huidige Oman. Het bekendste exportproduct uit die periode was koper, afkomstig uit de rijke kopermijnen in de oostelijke bergketen van Oman. In het eerste millennium voor Christus kwamen de inkomsten vooral uit de export van wierook uit de zuidelijke provincie Dhofar.

Enkele jaren na het begin van de islam in Mekka en Medina in 622 na Christus werd deze godsdienst ook in Oman omarmd. Dit werd in eerste instantie gedaan door de Azd-stam, waarna andere stammen volgden. Al vroeg hield de Azd-stam een andere richting aan, het ibadisme, dat ook nu nog, met het shi’isme en het sunnisme, tot de belangrijkste geloofsrichtingen in Oman behoort. Anders dan het soennisme en sjiisme vindt het ibadisme dat de Koran niet eeuwig is. De Koran is wel geschapen door God, maar moet niet als gelijkwaardig aan God worden beschouwd. Ibadieten hebben ook een andere opvatting dan de sunnieten en shi’ieten over de opvolging van de profeet als leider van de islamitische gemeenschap. Ibadieten menen dat de meest vrome en best geïnformeerde moslim de gemeenschap moest leiden ongeacht zijn etnische achtergrond, klassenachtergrond of stamboom, terwijl sunnieten een stamlid van de profeet Mohammed verkiezen en shi’ieten een afstammeling van de profeet.

De ibaditische geloofsrichting of ‘school’ van de islam ontwikkelde zich sterk in de Iraakse stad Basra. Hiervandaan werden missies met de naam hamalat al-ilm (dragers van kennis) naar verschillende delen van de Arabische wereld gezonden met als doel de verspreiding van deze specifieke school. Het resulteerde in de opkomst van ibaditische imamaten in Jemen (746), Oman (749) en Noord-Afrika (776). Vanaf de negende eeuw werd het ibadisme ook gepredikt in Oost-Afrika, waarschijnlijk door Omaanse zeelui. Aan de Afrikaanse oostkust groeide de ibaditische gemeenschap vooral in de zeventiende en achttiende eeuw, toen Oman met grote delen van deze regio verbonden was. Hoewel er nog steeds ibaditische gemeenschappen bestaan in Libië, Tunesië, Algerije en Oost-Afrika, is Oman het enige land waarin het ibadisme naast het sunnisme en shi’isme de belangrijkste geloofsrichting is.

De politieke geschiedenis van Oman na de komst van de islam wordt gekenmerkt door periodes van relatieve rust afgewisseld met interne conflicten en buitenlandse overheersing. In 749 wordt in de Omaanse stad Nizwa een ibaditisch imamaat opgericht, dat met onderbrekingen bijna vier eeuwen blijft functioneren. Tijdens deze periode, maar ook daarna wordt Oman binnengevallen en geregeerd door verschillende buitenlandse heersers, zoals de Buyiden uit Irak, de Seljuq-Turken en de Muzaffariden uit Iran die de kustvlaktes innemen. Van 1154 tot de zeventiende eeuw wordt het binnenland geleid door de maliks (letterlijk koningen) van de Bani Nabhan, onderbroken door perioden waarin het gezag in handen is van imams. In 1624 neemt de Ya’ariba-dynastie van imams een aanvang. De tweede imam daarvan, Sultan bin Saif, is uiteindelijk verantwoordelijk voor het verdrijven van de Portugezen uit Oman. Alleen tussen 1737 en 1747 zal Oman nog eenmaal door een buitenlandse macht (de Perzen) overheerst worden. In 1748 wordt Ahmad ibn Said tot imam gekozen. Met hem begint de dynastie van de Al Bu Said-familie, de dynastie die ook nu nog het gezag voert over het land. Oman is vandaag de dag een sultanaat dat wordt geregeerd door de veertiende Al Bu Said-leider, Sultan Qaboes. In de loop van de geschiedenis nemen verschillende steden in Oman de belangrijkste positie in, waaronder Muscat, Sohar, Nizwa, Rustaq en (in de negentiende eeuw) Zanzibar.

Door de eeuwen heen hebben Arabische, Perzische, en westerse reizigers verslag gedaan van hun reizen naar en bezoeken aan Oman. Hun observaties, beschrijvingen en bevindingen gaan zowel over het leven van alledag als over de hoven en verschaffen een onmisbaar inzicht in de gebruiken en gewoonten van Oman.

De tentoonstelling

Bij binnenkomst van De Nieuwe Kerk stuit de bezoeker op de pracht en praal van decoreren en versieren in de Omaanse traditie, onder meer gevisualiseerd door kleurrijke kleding, schitterende sieraden, en wapens. Een scala aan felgekleurde en veelvormige wierookbranders in combinatie met de geur van wierook (frankincense), intrinsiek onderdeel van de Omaanse cultuur, maakt de entree compleet. Na deze weelderige ontvangst gaat de bezoeker in het kielzog van de oude reizigers langs vijf thema’s die elk een onderdeel van de materiële geschiedenis van het land zichtbaar maken. Het zijn de vroegste beschaving (aan de hand van objecten gevonden in een archeologische setting), de islam in Oman, het belang van de zeevaart en de dhow na de komst van de islam, Oman en zijn contacten met Europa, en uitingen van het hofleven van de Al Bu Said-sultansfamilie in de negentiende eeuw.

De entree

Het belang van wierook bij Omaanse ontvangsten werd al in 1715 beschreven door de Engelsman Alexander Hamilton. Hij schrijft dat na de ontvangst met koffie en het roken van een pijp, een brander met mirre en frankincense werd binnengebracht, die daarna de hele kamer parfumeerde. Wierookbranders afkomstig uit het derde millennium voor Christus tonen de lange traditie van het gebruik van wierook in Oman. Naast eigen consumptie gold het ‘voedsel van de goden’ als belangrijk exportproduct in de hellenistische periode. De vele wierookwinkels in de souq van Muttrah en de aanwezigheid van wierookbranders in huizen en winkels tonen de populariteit en het belang van geuren ook nu. Zo hebben de dishdasha’s (de lange wijde hemdjurken die door mannen worden gedragen) aan de kraag een kwastje dat bedoeld is om te parfumeren. Hamilton observeerde ook al het nut van wijde mouwen: deze houdt men boven de branders zodat de armen, schouders en nek doordrongen raken van geuren.

Aan kleding werd en wordt veel aandacht besteed in Oman. Wat opvalt aan het textiel in de tentoonstelling is het felle kleurenpalet voor vrouwenkleding dat sterk afsteekt tegen de beige en witte tinten van de woonomgeving, en de rijkdom aan geweven of geborduurde patronen. Andere kenmerken zijn regionale diversiteit (kust versus bedoeïenen bijvoorbeeld) en buitenlandse invloeden, zoals blijkt uit stoffen uit Oost-Afrika en India die speciaal gemaakt worden voor Omaanse gebruikers. Bij kleding horen natuurlijk sieraden, die in Oman tot in de eerste helft van de twintigste eeuw overwegend van zilver werden gemaakt. Het zijn pronkstukken die opvallen door hun rijke oppervlakteversiering met geometrische en florale motieven. Deze motieven zijn pan-Omaans: ze worden verder toegepast op een wijd scala aan materialen variërend van hout, stucwerk en koper tot wollen stoffen. We vinden ze terug op houten deurpanelen, in opengewerkte ramen en op beschilderde plafonds, op koffiepotten en waterbekkens, en op pennenhouders en wierookbranders. Deze patronen zijn, kortom, een verbindingselement tussen de verschillende artistieke uitingen.

De archeologische context

Een van de vroegste uitingen van menselijke materiële cultuur in Oman zijn de vele rotstekeningen in de bergketens in het noordwesten en het zuidoosten van het land. De afbeeldingen bestaan grotendeels uit mens- en dierfiguren, oppervlakkig uitgebikt en gekrast in de steen. De mensfiguren zijn vaak breedgeschouderd, dragen doeken rond het middel en zwaarden en lansen in de hand. Er zijn zowel wilde (prooi- en roofdieren) als transportdieren zoals de kameel. Kamelen en schepen staan model voor de rol van Oman in de internationale handel.

Naast de rotstekeningen geven ook objecten afkomstig uit opgravingen een beeld van de lokale materiële cultuur en de handel met naburige landen, gevolg van de vroege scheepvaarttraditie in de regio. Fijn bewerkte kommen, vaasjes en waterbakjes met uitstekende tuit, versierd met geometrische patronen, geven inzicht in de lokale arbeidsintensieve techniek van het uithollen van steen. Daarnaast zijn er talrijke sieraden. De materialen zijn divers: kettingen hebben kralen van bijvoorbeeld kornalijn geïmporteerd uit de Indusvallei, vaak gecombineerd met schelpen, die de directe relatie tot de zee symboliseren. Voor de zware armbanden en ringen werden metaallegeringen gebruikt. De vorm van de met groeven versierde armbanden komt nu nog steeds voor in sieraden uit de Arabische wereld en India.

Religie

Hoewel de islam in Oman al vroeg na zijn ontstaan als staatsgodsdienst werd omarmd, zijn er geen korans bewaard gebleven uit de islamitische beginperiode. Sterker nog, de oudste koran uit de manuscriptcollectie van het Ministerie van Erfgoed komt uit het midden van de zeventiende eeuw. Dit roept vragen op: waren er daarvóór geen opdrachtgevers en was er geen beroepsgroep van kalligrafen en illuminatoren? Het onderzoek hiernaar staat nog in de kinderschoenen, maar feit is dat slechts in enkele van de in Oman bewaard gebleven korans de kalligraaf of de opdrachtgever wordt genoemd. Waar dit het geval is, is de kopiist een familielid van de uiteindelijke bezitter van het heilige boek en geen professionele kalligraaf. Dat is heel anders dan bijvoorbeeld in Caïro of Istanbul, waar de machthebbers opdracht gaven aan professionele kalligrafen om korans, rijkelijk voorzien van goud en kobaltblauwe illuminaties, te vervaardigen voor nieuw te bouwen moskeeën en mausolea. Of dit type patronage afwezig was in vroeg-islamitisch en middeleeuws Oman weten we niet. Verlies van manuscripten mag niet worden uitgesloten, waarbij factoren als interne en externe strijd en een hoge luchtvochtigheidsgraad oorzaken kunnen zijn geweest. De Omaanse korans die wél zijn bewaard kenmerken zich door de duidelijk leesbare letters (in het Arabische cursieve schrift naskh) en de versiering van de openingspagina’s met rode, groene en blauwe geometrische en florale patronen.

Ook de vroege traditionele moskeeën in Oman worden gekenmerkt door eenvoud met hun onversierde buitenmuren van beige leem, een lokaal product, en hun vaak kleine afmetingen. Een eenvoud die ook is doorgevoerd aan de binnenzijde, waar massieve gestucte kolommen het dak dragen en eenvoudige nissen in de muren plaats bieden aan korans. Mogelijk is deze soberheid beïnvloed door de utilitaire fortarchitectuur, maar evenzeer kunnen beperkte budgetten of traditionele opvattingen verbonden met het ibadisme haar verklaren. Uitbundigheid is er wel in de prachtige mihrabs (gebedsnissen), die vaak versierd zijn met kunstige geometrische en florale patronen in stucwerk in diep reliëf. Soms wordt hier cachet aan toegevoegd met kleurrijke in de muur ingemetselde kommetjes van Iraanse of Chinese origine, een traditie die blijk geeft van de waardering voor buitenlandse objecten en die ook in traditionele huizen is toegepast. Hoewel de mihrab-bewerkers een heel eigen Omaanse stijl hebben ontwikkeld, zijn er invloeden te ontdekken uit landen als Egypte, Iran en Jemen.

Zeevaart: Oman en de dhow

In de haven van Muttrah bij Muscat liggen er nog enkele te dobberen: nieuw gemaakte traditionele dhows zoals die vroeger de zeeën en oceanen bevoeren en die Oman als zeevaartnatie symboliseren. Op dit moment wordt in een baaitje dicht bij Muscat een tiende-eeuws Arabisch schip volgens de traditionele methode nagebouwd. Dit schip, dat aan het einde van de twintigste eeuw als wrak in de zee bij Singapore werd ontdekt, kwam waarschijnlijk oorspronkelijk uit Oman. De kopie zal in 2010 naar Singapore worden gevaren en daar worden tentoongesteld. Wat direct opvalt zijn de strengen van kokosnootvezels waarmee de planken van het schip aan elkaar worden vastgemaakt. Hiervoor zijn de planken eerst voorzien van talloze gaten, waarna een duo van bootbouwers de strengen aan de buiten- en binnenzijde van de boot aantrekt en vast klopt. Er komt geen nagel aan te pas. Deze afwezigheid wordt ook in de literatuur keer op keer door reizigers benadrukt, onder meer door Plinius de Oudere, al in de eerste eeuw na Christus. Dit type genaaide schepen (marakib khaytiyya) is ook vastgelegd op dertiende- eeuwse miniaturen uit een belangrijk Arabisch prozawerk (getiteld al-Maqamat, De Verzamelingen). Daarop zijn de steken goed zichtbaar waarmee de strengen door de gaten werden gehaald. In twintigste-eeuwse Omaanse handschriften staan tekeningen van diverse typen Omaanse schepen.

Belangrijke havensteden in Oman waren Muscat, Sur, Qalhat en Sohar, waarbij de laatste nu sterk wordt ontwikkeld, onder meer in samenwerking met Havenbedrijf Rotterdam. De bedrijvigheid in Sohar werd al geroemd in de tiende eeuw, onder andere door de geograaf al-Muqaddasi die de stad kenmerkte als het portaal naar China en het opslaghuis van het Oosten en Irak. Een bewijs voor de handel met die gebieden zijn de in Sohar opgegraven scherven van Chinees porselein en Iraans aardewerk. Dit type scherven zou ook nu nog herhaaldelijk aanspoelen op de stranden van Sohar. Complete buitenlandse voorwerpen uit deze periode zijn tot op heden echter amper uit opgravingen in Oman naar boven gekomen. De exportproducten uit Oman zelf waren vaak eenvoudiger, zoals dadels, gedroogde vis en limoenen. Maar ook Omaanse paarden waren gewild. In de achttiende eeuw werd koffie een belangrijk exportproduct, in de tentoonstelling gesymboliseerd door de ‘snavel’-koffiepotten. Uit Afrika brachten Omaanse zeevaarders slaven, ivoor, amber en luipaardhuiden, die zij weer doorverkochten in het oosten.

Oman stond in de middeleeuwen ook bekend om zijn navigatoren. Ahmad Ibn Majid is daarvan wellicht de meest bekende. Hij was een meesternavigator die vooral op de Arabische Zee en de Rode Zee voer. Hij schreef in de vijftiende eeuw een handboek getiteld Het Boek van de voordelen over de principes van zeemanschap. Zijn naam was legendarisch. Een latere Mekkaanse schrijver noemde hem zelfs als degene die de Portugezen naar Oman bracht, waarmee de handel onder Omaanse zeelieden een geduchte klap zou ontvangen.

Oman en de contacten met Europa.

Het was Vasco da Gama die in 1497 als eerste Europeaan de weg vond naar Indië, op het laatste deel van de reis geloodst door een navigator uit Oman. Of deze Ahmad Ibn Majid betrof is niet met zekerheid vast te stellen, hoewel ook Europese schrijvers speculeren over een band tussen de twee illustere figuren. Portugal breidde zijn territorium als zeevaartgrootmacht snel uit en dat had een directe invloed op Oman. De Portugezen namen belangrijke havens zoals Muscat in, alsook het gezag over handelssteden langs de Oost-Afrikaanse kust die onder Omaanse invloed stonden. Er kwam pas een einde aan het Portugese overwicht toen in de zeventiende eeuw zowel de Nederlanders als de Engelsen de grote macht van de Portugezen probeerden te breken. Eerst verloor Portugal Hormuz aan de Engelsen, een eiland in de Perzische Golf dat strategisch van groot belang was voor de handel. Daarna zetten de Hollanders vanuit hun vestigingsplaats Bandar Abbas druk op de Portugezen en trachtten hen te verdrijven uit Muscat. Zeekaarten uit deze periode op de tentoonstelling laten de belangstelling van de Europese machten voor het gebied zien. Daarnaast zijn er zeebrieven en verslagen van Nederlandse zeelui en bezoekers van Oman. Uiteindelijk waren het de Arabieren zelf die de Portugezen in 1650 uit Muscat verdreven. In de tweede helft van de zeventiende eeuw kwamen de eerste handelsbetrekkingen tussen Nederland en Oman tot stand.

In de achttiende eeuw beleefde de havenstad Muscat weer hoogtijdagen: zo voer de koffievloot jaarlijks hiervandaan naar de onder Ottomaans gezag staande havenstad Basra. Ook werd Muscat weer de belangrijkste opslagplaats en overslaghaven voor handel met India, en de landen aan de Golf en de Rode Zee.

Visueel bewijs van de aanwezigheid van de Portugezen vormen de forten die zij aan de kustlijn hebben neergezet. In Oman bestond echter al van oudsher een traditie van het bouwen van vestingwerken, niet alleen voor de verdediging van de havens maar ook ter bescherming van dadelpalmtuinen (dadels waren een belangrijk exportproduct) en het uiterst belangrijke water in het binnenland van Oman door lokale heersers. Sommige van deze forten zijn erg schaars gedecoreerd en geven een beeld van het bij tijd en wijle Spartaanse leven dat zich er moet hebben afgespeeld. Andere, zoals het Fort van Jabrin, kenmerken zich echter door prachtig versierde ontvangstkamers, waar vooral de felgekleurde plafonds, versierd met geometrische, florale en kalligrafische motieven, de geometrisch opengewerkte vensters die het licht prachtig filteren en de in diep reliëf gesneden deuren opvallen. In de decoratie zijn lokale stijlen vermengd met Perzische, Afrikaanse en Indiase invloeden.

Al Bu Said dynastie: de smaak van het hof in de negentiende eeuw

De Al Bu Said dynastie, waartoe ook de huidige sultan Qaboes behoort, begon in 1748 met het uitroepen van Ahmad ibn Said tot imam. Zijn leiderschap werd gekenmerkt door uitbreiding van de handelsactiviteiten in Oost-Afrika. In die periode kwamen Mombasa, Zanzibar en Kilwa zelfs onder Omaans bestuur. Een van zijn latere opvolgers, Said bin Sultan, die regeerde van 1804 tot 1856, consolideerde zijn macht in Oost-Afrika door Zanzibar zijn tweede hoofdstad (na Muscat) te maken. Daar introduceerde hij de kruidnagel en rijstplantages, die beide grote opbrengsten genereerden. Ontmoetingen met deze sultan zijn in veel westerse reisbeschrijvingen terug te vinden. Wat daarbij opvalt is dat telkens weer de grote liefde voor uit India en Europa geïmporteerde objecten wordt genoemd, ook in de huizen van de elite. Zo’n elitehuis wordt door de Franse diplomaat Fontanier in de eerste helft van de negentiende eeuw beschreven: ‘Waarlijk, het interieur van het huis was gemeubileerd als de huizen van de Engelsen in India: er waren fijne tapijten, tafels, stoelen, klokken en snuisterijen. Lampen waren opgehangen in het hele appartement.’ In de tentoonstelling zal de liefde voor geïmporteerde meubels getoond worden aan de hand van objecten uit het bezit van de negentiende-eeuwse sultansfamilie. Daarnaast komen er ook enkele kledingstukken en sieraden van Prinses Salma, een dochter van Sultan Said bin Sultan, die met een Duitser zou trouwen en zich later als Emily Ruete in Duitsland zou vestigen. Van haar en haar broers zijn vroege foto’s bewaard gebleven waarop zij gehuld in Omaanse kleding en met Omaanse sieraden en wapens worden vereeuwigd naast geïmporteerde meubels.

Voor meer informatie:

De Nieuwe Kerk Amsterdam

Communicatie, Educatie & Marketing
Martijn van Schieveen en Kim van Niftrik
T 020 626 81 68