Kapellen

Het koor en de kapellen rondom het koor vormen het oudste deel van de kerk. Men treft hier nog veel laatgotische elementen aan, zoals de traceringen van de afsluitende balustrades en van de ramen, die in iedere kapel weer andere patronen vertonen.

In de middeleeuwen telde de kerk 34 altaren en tien kapellen. Ze waren ter ere van de patroonheiligen gesticht door gilden en vermogende families. De kapellen deden ook dienst als sacristie, waar het liturgisch vaatwerk en de liturgische gewaden werden bewaard.

Na de Alteratie deden de kapellen als zodanig geen dienst meer. Ze werden gebruikt als timmerwerkplaats, bergplaats voor de gravenmaker en stookhuis, terwijl de koster een kapel tot keuken had ingericht.

De oudste kapel is de Eggertkapel, rechts van het koor, die na het overlijden van Willem Eggert, de bouwheer van De Nieuwe Kerk, gesticht werd door zijn zoon Jan. Op het houten afsluithek staat zijn sterfdatum vermeld, 5 juli 1417; op een kolom is zijn grafteken aangebracht.

Beeldhouwers mochten zich uitleven op de kraagsteentjes onder de vensters, die de vorm van hebben gekregen van onder anderen trollen, vrouwenfiguren of dikke monniken met wijnkannen in de hand. Op de ramen van beide kapellen zijn 36 familiewapens van vroedschap te zien die gegroepeerd zijn rondom het stadswapen of het stadszegel in de vorm van een koggeschip. Een van de familiewapens is dat van Frans Banning Cocq, kapitein van de compagnie die is uitgebeeld op het beroemdste schilderij van Rembrandt, De Nachtwacht.